Woordenboek

2:1 setup: Een afstelling van je kiten, vaak bij een bowkite met katrollen op de bar. Hierdoor verdubbeld het sturen en de depower.

4-lijns: Een kite met 4lijnen

5e lijn – Sommige kites beschikken over een 5e lijn die bedoeld is voor het herstarten van de kite.

AanKanten: De rail van je board het water in duwen met je hakken/tenen om de snelheid van je board af te remmen of druk op de lijnen opbouwen voor een sprong.
Aspect Ratio: Aspect Ratio is de verhouding tussen de breedte en gemiddelde hoogte van de vlieger. Er worden twee AR-waarden gebruikt: 1. De platte (flat) AR, die gehanteerd wordt voor een plat liggende vlieger. In formulevorm: De breedte in het kwadraat gedeeld door de oppervlakte. 2. De geprojekteerde (projected) AR, die dezelfde verhouding weergeeft, maar dan voor de vlieger in de lucht. Onder invloed van de kromming van de vlieger zal dit een andere waarde opleveren. De formule is dan: geprojekteerde breedte in het kwadraat gedeeld door de geprojekteerde oppervlakte.
Auto-zenith: Als bij het loslaten van de bar de vlieger automatisch naar de zenith toe vliegt (12 uur).

Bakboord – Links, rood in de scheepvaart (stuurboord is rechts, groen)
Bar – Stok waaraan de stuurlijnen zijn bevestigd en de kite mee bestuurd kan worden
Bardruk – De mate waarin de trekkracht van de kite op de bar wordt overgegeven
Board leash – Een koord dat bevestigd wordt aan het board en je enkel of trapeze, zodat je het board niet kwijtraakt. Een variant hierop is de rolleash. Let op: gebruik van een boardleash kan gevaarlijke hoofdwonden veroorzaken! Gebruik een boardleash alleen in combinatie met een helm of beter: leer upwind bodydraggen.
Bodydraggen – Door het water voort laten slepen met behulp van een kite.
Bolle Wind – Een warme luchtstroming uit het zuiden wordt in de zeilwereld ook wel een bolle wind genoemd. Een warme wind is minder dicht van volume, je moet dus een iets grotere kite pakken als normaal. Het tegenovergestelde is een holle wind voor een koude luchtstroming uit het noorden.
Boots: Een soort hoge schoen om te gebruiken in plaats van footpads en straps. Vergelijkbaar met snowboard/wakeboardbindingen. Niet aan te raden voor beginners, meer voor de echte wakestyle.
Bow kite – Vlakker profiel dan een C-kite, waardoor meer van de totale oppervlakte van de kite effectief gebruikt wordt om power te genereren voordeel is dat deze kitevrijwel al zijn kracht verliest als je de bar los laat. De stuurlijnen (achter) worden bij de wingtips bevestigd en de powerlijnen (voor) meestal via een bridle aan de leadingedge.
BPR – Binnenvaart Politie Regelement:Een soort van verkeerswetgeving op het water. Geldig op alle bevaarbare binnenwateren van Nederland(ook Waddenzee!). Helaas is het kitesurfen volgens dit reglement overal verboden. Op sommige plaatsen is er door de N.K.V. een ontheffing voor dit verbod gerealiseerd. Alleen hierdoor is het dus mogelijk om op een aantal locaties te mogen kitesurfen.
Bridle – Systeem van lijnen (vaak met katrollen) dat bevestigd is aan verschillende punten op de leading edge van de kite.

C-kite – Kite met een profiel in de vorm van een C, met duidelijke hoeken bij de wingtips waar zowel de stuur- als powerlijnen bevestigd worden.
Chickenfinger – Het ‘staafje’ (ook bekend als donkeydick) dat aan je chickenloop zit, deze gaat door de trapezehaak, zodat je niet zomaar uithaakt.
Chickenloop – De lus waarmee de kite vast zit aan de trapezehaak
Chop – Water met onregelmatige golfslag
Concaaf – Kromming in het board lopend van de ene naar de andere zijkant. Zorgt voor een comfortabelere rit
Cross shore – Windrichting die schuin aan- danwel aflandig is.

Delta-kite – Kite met een delta vorm, breed in het midden en smal bij de wingtips.
Depoweren – Verminderen van de trekkracht van de kite; kan onder andere bereikt worden door de stuurlijnen langer te maken ten opzichte van de powerlijnen door bijvoorbeeld het loslaten van de bar of een depowerstrap aan te trekken.
Depower strap – Juiste benaming is eigenlijk trimstrap, omdat hier de kite mee getrimd wordt. Lus vlak boven je Bar om je voorste lijnen in te korten, zodat er minder kracht uit je kite komt
Directional – Board dat het meest op een surfboard lijkt en een uitgesproken voorkant en achterkant heeft. Voornamelijk bedoeld om één kant mee op te varen.
Downwind – Met de wind mee varen.
Downwind (passeren) – Jij vaart t.o.v. de windrichting het meeste met de wind mee: houdt je vlieger laag, zie ook Upwind (passeren)
Downwinder – Een tocht langs de kustlijn, waarbij je niet op 1 spot blijft maar met de wind mee gaat en eindigt op een andere spot.
Dry suit – Een droog pak, dat (in tegenstelling tot een wet suit), je droog houdt doordat het bij de uiteindes nauw sluit. Het is minder flexibel dan een wetsuit, maar biedt daarentegen meer warmte en is daardoor geschikter voor sessies bij lagere temperaturen.
Dyneema – De lijnen van voor een kitesurf vlieger zijn gemaakt van dyneema, dit is een super sterke polyethylene vezel, deze wordt gefabriceerd doormiddel van en door DSM gepatenteerde “gel spinning”proces. Dit resulteert in een fiber dat 15 maal sterker is dan staal, super light is en bestand is tegen UV licht en chemicaliën.

Epoxy: Is een uitzonderlijk harde en taaie chemische hars. Het heeft superieure eigenschappen op het gebied van hechting en weerstand tegen water, chemicalien etc.

Flex: het buigingsvermogen van een board. Hoe meer flex hoe comfortabeler de rit maar hoe minder aggresief ermee gekite kan worden.
Fliptips: De tips van het board zijn extra omhoog gevouwen, zie het als een extreme rocker in de tips.
Floater: Schuimrubberen buis om je stuurlijnen, vlakbij de bar, waarmee je bar drijvende gehouden word, vaak zitten hieronder verstelmogelijkheden voor stuurlijnen.
Foil kite – Een kite die je niet hoeft op te pompen en gebaseerd is op het ontwerp van een parachute. De kite heeft van voor naar achter cellen, waarvan de voorste cellen open zijn. Wanneer de kite in de lucht is, vullen de cellen waardoor die in de lucht blijft. Ze zijn vaak lichter dan andere kites waardoor ze gemakkelijk omhoog gaan met weinig wind.
Footpad: Het zachte materiaal waar je op staat, meestal van een soort schuimrubber.
Footstrap/voetband: Band die over je voet die ervoor zorgt dat je board net van je voeten valt.

Grabhandle: Handvat op je board om je board makkelijk vast te pakken.

Hangtime – De tijdsperiode waarin je na afzet van een sprong tot aan de landing in de lucht hangt.
High end – De maximale windkracht waarin je nog kan varen met een kite of board, verschilt per kite/board.
Holle wind – Benaming uit de zeilwereld van een koude wind uit het noorden, met deze wind kan je iets eerder het water op omdat deze wat dichter is. Een holle wind wordt ook wel een dichte wind genoemd.
Hoogtelopen – Aan de wind varen (richting bovenwinds), hoe meer hoogte je loopt des te sneller ben je bovenwinds.
Hybride kite – Kite met een profiel ergens tussen C-kite en Bow-kite in, maar in ieder geval met een bridle.

Impact vest – Ook wel harnas of crash vest genoemd; een vest dat delen van je lichaam beschermt tegen harde klappen op het water.

L/D-ratio – Lift to Drag-ratio, oftewel de verhouding tussen lift en drag, de twee hoofdkrachten die op een vlieger werken. Wanneer de L/D hoog is, heeft de kite weinig weerstand (drag) en zal hij snel vliegen en goed upwind komen. Bij sprongen zal je vooral omhoog gaan en niet zover met de wind mee. Kites met een lage L/D zullen wat trager zijn, komen minder ver upwind en sprongen zijn meer horizontaal. De AoA is de belangrijkste bepaler van de L/D: hoge AoA betekent lage L/D en omgekeerd.
Leading Edge – Bij tube kites is dit de grote tube aan de voorkant van kite, de plek waar deze kites worden vastgepakt bij starten/landen
Lift – Het vleugelprofiel in een stokloze vlieger (matras) of de coupe in een zeildeel (delta/hybride vlieger) veroorzaakt verschillen in luchtstroming als de vlieger door de lucht beweegt. Die verschillen in luchtstroming zorgen voor een drukverschil tussen de rug- en buikkant van de vlieger. Hierdoor wordt een kracht ontwikkeld die haaks staat op de bewegingsrichting van de vlieger. Noot: lift zegt in feite niets over het vermogen van een vlieger om je omhoog te trekken.
Locals – Kitesurfers die veel op één bepaalde “spot” zijn te vinden. Locals kennen hun “spot” als geen ander en weten waar je rekening mee moet houden om veilig op de betreffende locatie te kunnen kitesurfen.
Low end – De minimale windkracht waarin je kan varen met een kite of board, verschilt per kite/board

Natura 2000 – Natura2000 is een regelgeving die unieke natuurgebieden beschermt. Deze gebieden zijn bijzonder, omdat er planten en dieren voorkomen die elders in Europa zeldzaam zijn. Een aantal kitesurfspots in Nederland grenst aan zo’n Natura2000 gebied.
Neutrale zone – De uiterste randen van het windvenster, hier waait bijna alle wind langs de vlieger en heeft hij erg weinig kracht.

Kite leash – Een koord dat bevestigd wordt aan de trapeze en de safetylijn van de kite, zodat je bij het activeren van de quickrelease de kite niet verliest en de kite aan 1 lijn blijft wappperen zonder power. Mocht de kite dan toch nog power genereren, dan kan in het uiterste geval ook de kite leash gereleased worden. Het ontbreken van een kiteleash kan gevaarlijk zijn voor anderen. Soms wordt de kite leash t.b.v. handlepassen en uithaken niet aan de safety maar aan de chickenloop bevestigd, dit heet dan ook wel een suicide leash.

Off shore – Windrichting die aflandig is (van het land richting het water).
On shore – Windrichting die aanlandig is (van het water richting het land)
One pump – Systeem bij tube kites waarbij de leading edge inclusief struts, dus het gehele frame via 1 ventiel in 1 keer kan opgepompt worden.
Overpowered – Situatie waarin de gebruikte kite te groot is voor de hoeveelheid wind en de kite dus meer kracht genereerd dan gewenst.

Powerlijnen – Ook wel voorste lijnen genoemd, de 2 lijnen die bevestigd zijn aan de voorkant van de kite en de chickenloop, hier komt ook de meeste power op te staan. Meestal hebben deze lijnen geen kleur en zijn ze wit of grijs.
Powerzone – De plek in het windvenster waar de kite het hardst trekt, dus vol in de wind.

Quick-release – Zie Safety
Quiver – Een set van 2 kites van verschillende grootte waarmee men een zo’n groot mogelijk bereik heeft, dus voor elke windsterkte een geschikte kite.

Rak – Met een rakje varen bedoelt men van punt A naar punt B varen (waarna men meestal weer omkeert voor een volgende rak van B naar A).
Roll leash – Een variant op de board leash, waarbij een rolmechanisme is toegepast. Dit maakt het dragen van een helm (zoals voor een gewone board leash) minder noodzakelijk, maar nog steeds verstandig. Beter is om te leren upwind bodydraggen.

Safety – Op iedere moderne kite aanwezig. Door het activeren van dit systeem verliest de kite (bijna) alle kracht. Leer de werking van het systeem van je kite voordat je het water op gaat. Elke kite kent weer een ander safety systeem, sommige werken met klitteband, andere met een draaimechanisme, weer andere met een systeem dat je van je af moet drukken (push) of juist naar je toe moet trekken (pull).
Self-rescue – Een zeer belangrijke techniek en vaardigheid om in bepaalde noodsituaties op het water jezelf in veiligheid te kunnen brengen. Hierbij gebruik je de kite als zeil en luchtbed en zijn de bar en lijnen opgerold.
Side shore – Windrichting evewijdig aan de kustlijn, ideale windrichting voor bijvoorbeeld het maken van downwinders.
Sinussen – Het in een golfbeweging op en neer sturen van je vlieger om meer power te verkrijgen.
SLE-kite – Een Supported Leading Edge kite, waarbij een systeem van touwtjes wordt gebruikt om de vorm van de leading edge en daarmee de kite te ondersteunen.
Spot – Een locatie waar je kunt kitesurfen. Kitesurfen is niet overal toegestaan, en niet altijd. Zoek uit of de plek waar je wilt gaat kiten het toestaat.
Stallen – Het achteruit vliegen van de kite
Strekdam – Een dam in zee langs de kust, of een dam in een rivier langs de dijk, om afslag door golven tegen te gaan. Kan voor kitesurfen dus een gevaarlijk en bij hoogwater soms onzichtbaar obstakel vormen.
Stroming – Op sommige spots heb je te maken met stroming: de vloed en ebstroom. Dit is bepalend voor welke kant het water op gaat en kan je tijdens het kitesurfen helpen of juist tegenwerken, afhankelijk van de richting.
Strut – Opblaasbaar deel van een tube kite dat haaks staat op de leading edge. Er zijn kites met 5 struts, maar ook zonder struts.
Stuurboord – Rechts (ezelsbruggetje: stuurboord heeft de R van rechts)
Stuurlijnen – Ook wel achterste lijnen genoemd, de 2 lijnen die bevestigd zijn aan de wingtips van de kite en de bar, met deze lijnen bestuur je de kite. Meestal zijn deze lijnen groen of rood.

Trailing edge – De achterkant van de kite (de leading edge is de voorkant)
Trapeze – Een hulpmiddel om je rug/heup heen met aan de voorzijde een haak waar je je vlieger kunt inhaken. Komt in de smaken: waist(heuptrapeze) en seat (zittrapeze).
Twintip – De meest gebruike vorm van kiteboards. Deze boards hebben geen aparte voor en achterkant en kunnen hierdoor makkelijk 2 kanten op worden gevaren. Zijn het meest geschikt voor de moderne vorm van kiten. Maat varieëert van 110cm voor de kleintjes tot de 170cm voor de zware jongens en de dagen met minder wind. Zijn meestal uitgerust met 4 vinnen, maar er zijn ook Twintips met 2, 5, 6 of 8 vinnen

Underpowered – Te kleine kite voor de wind, waarbij de kite minder kracht genereerd dan gewenst en in het uiterste geval gaat stallen en uit de lucht kan vallen
Upwind – Tegen de wind in.

Vaargeul – Gebied dat gebruikt wordt door de scheepvaart en vaak een route is richting een haven. Een vaargeul wordt meestal door boeien gemarkeerd en niet aangemerkt als kitesurfgebied. Vaak gaat een vaargeul gepaard gaat met een sterke stroming.

Waterstart – De start vanuit het water waarbij je door de kite de powerzone in te sturen uit het water op je board wordt getrokken en vervolgens vooruit vaart.
Wetsuit – Kleding voor de watersporter. Het is een nauwsluitend “nat pak” van meestal neopreen waarin na een eerste watercontact een dun laagje water achterblijft. Dit dunne laagje water neemt de lichaamstemperatuur aan en werkt vervolgens als een isolerende laag. Hierdoor kun je ook met lagere temperaturen het water op/in.
Windchill – De (lichaams)warmte wordt afgestaan aan een koudere omgeving en bij contact met wind kom je met “een grote hoeveelheid” koude omgeving in aanraking. Door windchill is de afkoeling dan dusdanig snel dat je de omgevingstemperatuur als “veel kouder ervaart”, de gevoelstemperatuur.
Windrange – Het windbereik van een kite, de minimale en maximale wind waar je er mee kan varen (zie ook high-end en low-end).
Windvenster – Een denkbeeldige afbeelding van een kwart van een driedimensionale cirkel, waarbij de bovenste boog is ingedeeld als een klok. Het windvenster bestaat onder meer uit de powerzone, een neutrale zone en zenith.
Wingtip – De uiterste punt van de kite (links of rechts).

Zenith – Het gebied in de lucht recht boven je (12 uur), oftewel het punt midden bovenin het windvenster.